Overgangsmaatregelen voor België voor het bekomen van het diploma

Op initiatief van België en Duitsland werden eind vorige eeuw de lasopleidingen geharmoniseerd. Deze harmonisatie startte vanuit ECCW, de Europeaan Council for Cooperation in Welding, het overkoepelend orgaan van de Europese lasinstituten. Tijdens de eerste vergadering te Madrid, waaraan negen (9) landen deelnamen (B, D, Dk, E, F, Hr, It, P en UK), werd afgesproken hoe dit zou aangepakt worden.

Omdat in alle landen een cursus “lasingenieur” werd georganiseerd/gehouden werd besloten om te starten met dit hoogste niveau van opleiding. De bijkomende reden van deze keuze was dat de daaronder liggende niveaus toen minder goed waren gedefinieerd en toen dus ook minder gemakkelijk op één lijn te brengen.

Er werd tevens afgesproken om vier maal per jaar te vergaderen, telkens gedurende drie dagen. Er werd vergaderd “op uitnodiging”, de vergaderplaatsen waren de thuisbasissen van de deelnemende leden van deze groep.

Het bleek al heel snel dat alle lasopleidingen een gelijkaardige structuur hadden. Alle opleidingen konden worden ondergebracht in  vier modules; lasprocessen, materialen, ontwerp en toepassingen. Wat ook opvallend was; het aantal uur dat besteed werd aan de opleidingen verschilde sterk van land tot land.

Er werd toen besloten om voor elke module de deelonderwerpen vast te leggen, vervolgens voor elk deelonderwerp de ondertitels vast te leggen en de inhoud daarvan te omschrijven aan de hand van “key-words”. Dan werd nog tot slot, per ondertitel, de tijd vastgelegd die we dachten dat daarvoor nodig was!

De deelnemers bekommerden zich toen niet direct met het “totaal aantal uur” dat de opleiding in beslag zou nemen, wel werd rekening gehouden met de “gemiddelde tijd” van de opleidingen in de verschillende landen bij het bepalen van de benodigde tijd per deelonderwerp/ondertitel.

Op deze basisstructuur werd verder gebouwd en dit leidde na een achttal jaar tot de opleiding “European Welding Engineer”. In deze opleiding werd naast de theorie ook een verplicht praktijkdeel ingevoerd waar de toekomstige lasingenieur minimum 10 uur zelf moest gelast hebben met de voornaamste/meest gebruikte  lasprocessen: gassmeltlassen, booglassen met beklede electrode, MIG/MAG-lassen en TIG-lassen. Dit verplicht praktijkdeel werd ingevoerd omdat de toekomstige leidinggevende lasverantwoordelijke tenminste zou weten en beseffen hoe moeilijk lassen wel is!

Gedurende deze acht jaar van harmonisatie waren er steeds andere landen die zich bij de groep voegden en in 1992 waren we reeds met 15.

Deze eerste geharmoniseerde opleiding kreeg de titel: European Welding Engineer.

Omdat ECCW geen rechtspersoonlijkheid had werd besloten om EWF = European Welding Federation, op te richten. Het werd een Internationale vzw met zetel te Brussel,  met hetzelfde adres als het BIL (Belgisch Instituut voor Lastechniek).

 

Na het afwerken van deze eerste opleiding EWE werd gestart met EWT (European Welding Technologist) en daarna met EWS (European Welding Specialist).

Omdat de totale structuur van de lasopleidingen in de verschillende Europese landen niet 100% gelijk liep werd besloten om niet vier (EWE, EWT, EWS en EW= European Welder) maar vijf niveaus in te voeren: EWE, EWT, EWS, EWP (European Welding Practitioner)  en EW.

Na het harmoniseren binnen Europa door EWF van de opleidingen EWE (European Welding Engineer), EWT (European Welding Technologist), EWS (European Welding Specialist) en EWP (European Welding practitioner), werd tevens een formule uitgewerkt waarbij actieve lasverantwoordelijken de mogelijkheid werd geboden om het diploma te bekomen via overgangsmaatregelen. Het was immers ondenkbaar dat personen met vereiste diploma’s, een lasopleiding, kennis en ervaring op lastechnisch gebied uitgesloten zouden worden uit het nieuwe systeem van opleidingen en diplomering.

De overgangsmaatregelen werden uitgewerkt voor de verschillende niveaus van lastoezicht zoals beschreven in de toenmalige norm EN 729 – Lascoördinatie, taken en verantwoordelijkheden. Later werd deze norm de ISO 14731 - Lascoördinatie, taken en verantwoordelijkheden. In de bijlage A van deze normen werd eerst (EN 729) verwezen naar de opleidingen EWE, EWT en EWS en later (ISO 14731) naar  IWE, IWT en IWS. In deze Bijlage A wordt gesteld dat lascoördinatiepersoneel, welk één van deze opleidingen volgde, geacht wordt om te voldoen aan de eisen gesteld in de norm wat betreft de specifieke kennisvereisten voor verantwoordelijk lascoördinatiepersoneel.

De eerste EWE opleiding welke in België werd ingericht startte in 1992. De andere niveaus EWT en EWS volgden kort daarop. De overgangsmaatregelen liepen tot eind de negentiger jaren omdat men binnen de internationale vergadering de mening was toegedaan dat dit niet onbeperkt kon blijven doorgaan.

Begin deze eeuw werden de Europese opleidingen, welke werden geharmoniseerd door EWF,  overgenomen door het IIW (International Institute of Welding). EWE (European Welding Engineer) werd IWE (International Welding Engineer) enz.,  namelijk IWT, IWS, IWP en IW. De IIW diploma’s zijn equivalent aan de EWF diploma’s. Het voordeel van deze “internationalisering” is dat er nu wereldwijd slechts één opleidingssysteem bestaat voor lasopleidingen en dat de diploma’s wereldwijd worden erkend.

De uitvoeringsnormen (staalconstructies, pipelines, enz) evolueerden snel en, zoals jaren geleden voorspeld, blijkt dat momenteel de vraag naar lastoezicht-personeel sterk gestegen is als gevolg van de nieuwe normen waarin wordt gesteld dat de bedrijven moeten beschikken over deze mensen. Het lastoezicht is dus een eis geworden om nog te kunnen/mogen construeren. Heel wat bedrijven zijn daardoor in de problemen geraakt en daarom werd de mogelijkheid voor het bekomen van diploma’s via de overgangsmaatregelen weer besproken binnen IIW. Er werd beslist dat de overgangsmaatregelen terug worden ingevoerd, maar dan wel met de beperking dat enkel personen welke voldeden aan de voorschriften/eisen eind de negentiger jaren, hierop nog een beroep kunnen doen.

Het algemeen idee achter de overgangsmaatregelen is dat de kandidaat voldoet aan de toelatingsvoorwaarden (access conditions) voor het desbetreffend opleidingsniveau en dat het pakket van zijn/haar opleiding, training, kennis en ervaring equivalent is aan de EWF/IIW vereisten.

 

De kandidaat welk een diploma wenst te verwerven via de overgangsmaatregelen, en voor een bepaald niveau, moet een aanvraag indienen bij de BVL (Belgische Vereniging voor Lastechniek), Antoon Van Osslaan 1-4, 1120 Brussel.                   Tevens moet de kandidaat een dossier indienen waarin een beschrijving wordt gegeven van zijn beroepsloopbaan. Hierin zal de kandidaat zijn/haar opleiding, training, kennis en ervaring moeten aantonen op lasgebied. Dit dossier moet eveneens worden ondertekend door de werkgever. Verder moet de kandidaat kunnen aantonen dat hij/zij werkzaam was als lascoördinator, op het niveau waarvoor het dossier wordt ingediend, en dit op de datum welke als uiterste datum werd vastgelegd door het IIW. De uiterste datum is de goedkeuringsdatum van de Transition Arrangements door EWF/IIW plus 3,5 jaar.

Hierna volgen de verschillende niveaus met de vermelding van de uiterste datum waarop men moest voldoen aan de gestelde eisen: IWE (19/03/1999), IWT (02/06/1996), IWS (19/03/1999) en IWP (27/05/1998).

Het dossier van de kandidaat zal dan worden onderzocht door de beoordelingscommissie van de BVL en hij/zij wordt daarna uitgenodigd voor een professioneel interview. Bij positieve beoordeling door de commissie zal het diploma worden toegekend.

 

De mogelijkheden voor het verwerven van een diploma via de overgangsmaatregelen worden gegeven in de desbetreffende documenten à zie “overgangsmaatregelen”

Ir Robert Vennekens, IWE, CEWE, FWeldI, (BVL)

 
Deel dit bericht
Deel dit bericht